verlangende ook dit alles in zijn macht te brengen. „Gij daarom moogt op geen wijze u afgezonderd houden en toelaten dat wij te gronde gericht worden, doch één van zin moeten wij den aanrukkenden tegemoet gaan. En zult ge dat dan niet doen? Want wij zullen in den nood ons land verlaten, of blijven en een vergelijk met genen treffen. Want wat zullen wij aanvangen, indien gij ons niet helpen wilt? Doch ook u zal het daarna niet beter gaan; want de Pers trekt evenzeer tegen u op als tegen ons, en niet zal hij, ons onderworpen hebbend, tevreden zijn en zich van u onthouden. En wij zullen u een groot bewijs voor deze woorden zeggen. Want indien de Pers alleen tegen ons opgetrokken was, zich willende wreken over de vroegere slavernij, dan moest hij alle anderen met rust hebben gelaten en zoo naar ons land gegaan zijn, en allen zou hij duidelijk hebben gemaakt, dat hij tegen de Scythen optrok en niet tegen anderen. Doch nu, zoodra hij naar dit vaste land is overgetrokken, onderwerpt hij telkens allen, die hij ontmoet, en reeds heeft hij de overige Thraciërs in zijn macht en zelfs ook onze naburen de Geten."
119. Toen de Scythen dit gemeld hadden, beraadslaagden de koningen, die van de volken waren gekomen, en hun meeningen gingen uiteen. Want de Geloniër, en de Budiner en de Sauromaat waren van dezelfde meening en beloofden de Scythen te zullen helpen, doch de Agathyrs en de Neuriër en de Androphaag en de vorsten der Melanchlaenen en Tauriërs antwoordden het volgende aan de Scythen: „Indien niet gij het waart, die het eerst de Perzen kwaad hebt aangedaan en met den krijg begonnen zijt, dan zoudt gij, vragende wat gij nu vraagt, ons voorkomen naar billijkheid te spreken, en wij zouden u ter wille zijn en van éénen zin met u handelen: