Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/400

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Doch nu hebt gij, zonder ons in hun land gevallen, de Perzen beheerscht, zoolang de god het u gegeven heeft, en genen, nu dezelfde god hen aanspoort, vergelden u gelijk met gelijk. Wij echter, wij hebben noch toenmaals dien mannen kwaad aangedaan, noch zullen wij nu het eerst beproeven hen kwaad te doen. Doch indien hij ook naar ons land rukt en begint met beleediging, dan zullen ook wij tegen hem optrekken[1]. Tot wij dat gezien hebben, zullen wij bij ons zelf blijven; want wij gelooven niet, dat de Perzen naar ons komen zullen, doch tegen hen, die de schuld zijn van het onrecht."

120. Toen de Scythen deze boodschap vernomen hadden, besloten zij na overweging geen openlijken veldslag te leveren, nu genen niet als bondgenooten bij hen kwamen, doch te wijken en de kudden weg te drijven, en de waterputten, die zij voorbijkwamen en de bronnen dicht te werpen, en het gras uit den grond te trekken, in twee afdeelingen zich splitsend. En bij de eene afdeeling, waarover Scopasis heerscht, zouden de Sauromaten zich voegen, en deze zouden, indien de Pers zich daarheen keerde, terstond naar de rivier de Tanaïs wijken, langs het Maeotische meer vluchtend, en als de Pers terugging, op hem aan komen en vervolgen. Dit was de eene afdeeling van het koninkrijk, gericht langs dien weg, die gezegd is; de twee andere afdeelingen van het koninkrijk, de groote, waarover Idanthyrsus heerschte, en de derde, waarover Taxacis koning was, vereenigden zich en als de Gelonen en de Budiners bij hen gekomen waren, zouden ook dezen wijken, op een dagreis afstand van de Perzen, en bij dat wijken doen, wat zij besloten hadden. Vooreerst nu zouden zij midden door

  1. Deze plaats is wellicht bedorven.