Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/401

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de landen wijken, die hun hulp geweigerd hadden, opdat zij ook dezen in oorlog zouden brengen, om indien deze ook niet vrijwillig den oorlog tegen de Perzen op zich hadden willen nemen, dan ze tegen hun zin in oorlog te brengen. Daarna naar hun eigen land terugkeeren en genen aangrijpen, indien hun dat na overleg goed dacht.

121. Dit overlegden de Scythen en zij gingen Darius' leger te gemoet, als vóórloopers de beste ruiters vooruitzendend. De wagens, waarin hun kinderen leefden en hun vrouwen, die allen en al het vee, — behalve dat zij zooveel terughielden als voor hun voeding genoeg was, — al het andere zonden zij met de wagens vooruit, bevelend steeds naar den noordewind te trekken.

122. Dit dan werd vooruitgestuurd. Doch de Scythische vóórrenners, toen zij de Perzen een driedaagsche marsch van de Ister verwijderd vonden, toen de Scythen dan genen gevonden hadden, kampeerden zij een dagmarsch van hen af, en verwoestten alles, wat uit de aarde ontspruit. Toen de Perzen de Scythische ruiterij zagen verschijnen, gingen zij in hun spoor op hen af, terwijl genen steeds weken, en daarna (want zij volgden de eene der afdeelingen) joegen de Perzen hen na naar den dageraad en tot aan de Tanaïs. En toen genen de rivier de Tanaïs overstaken, staken de Perzen terstond na hen ze over en zetten hen na, tot zij, het land der Sauromaten doorgetrokken, in dat der Budiners kwamen.

123. Zoolang nu de Perzen door Scythië trokken en het Sauromatische land, konden zij niets verwoesten, daar het land een woestenij was, doch toen zij in het land der Budinen waren gevallen, daar stieten zij op de houten vesting, terwijl de Budinen die verlaten hadden en de vesting geheel ledig was, en verbrandden ze. Dit gedaan hebbend, volgden zij altijd verder langs het