Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/402

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

spoor, totdat zij, dat land doorgetrokken, aan de woestijn kwamen. Deze woestijn wordt door geen mensch bewoond, en ligt boven het land der Budiners, zijnde in grootte een weg van zeven dagen. Boven deze woestijn wonen de Thyssageten, en uit dezen stroomen vier groote rivieren door de Maeoten en vallen in het dusgeheeten Maeotische meer, en hun namen zijn de volgenden: Lycas, Oarus, Tanaïs, Syrgis.

124. Toen nu Darius in de woestijn was gekomen, staakte hij den tocht, en liet zijn leger bij de rivier de Oarus kampeeren. Dit gedaan hebbend richtte hij acht groote sterkten op, even ver van elkander, ongeveer zestig stadiën, van welke nog in mijn tijd de puinhoopen over waren. Terwijl hij daarmede bezig was, trokken de vervolgde Scythen boven om hem heen en keerden in het Scythische land terug. Toen zij nu geheel verdwenen waren, en zich niet meer vertoonden, toen liet Darius zoo die sterkten, half afgewerkt, varen, en wendde zich om en trok naar den avond, meenende, dat genen alle Scythen waren en zij naar den avond waren gevlucht.

125. Toen hij zijn leger zoo snel mogelijk voerde, en in Scythië gekomen was, stiet hij op beide afdeelingen der Scythen, en joeg hen na, terwijl zij weken, op een dagreis afstand. En daar Darius niet ophield te vervolgen, weken de Scythen volgens hun besluit, naar het land van hen, die hun hulp geweigerd hadden, en eerst naar het land der Melanchlaenen. Toen de Scythen en de Perzen daarin waren gevallen en genen in verwarring hadden gebracht, wezen de Scythen den weg naar de streken der Androphagen. En toen ook dezen opgeschrikt waren, weken zij naar het Neurische land. En toen ook dezen opgeschrikt waren, trokken de Scythen al vluchtend naar de Agathyrsen. Doch de Agathyrsen, ziende dat ook hun