Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/403

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

naburen door de Scythen verjaagd werden en opgeschrikt, zonden, vóór dat de Scythen bij hen invielen, een heraut en zeiden den Scythen aan, niet hun gebied te betreden, verklarende, dat als zij zouden trachten in te vallen, zij eerst met hen zouden strijden. De Agathyrsen nu verklaarden dit, en ijlden naar hun grenzen, van zins de aanrukkenden af te weren. Doch de Melanchlaenen en de Androphagen en de Neuren, stelden, bij den inval der Perzen met de Scythen, zich niet te weer, doch vergaten hun vroegere bedreiging en vluchtten in verwarring, steeds naar den noordewind naar de woestijn. Doch de Scythen kwamen niet meer naar de Agathyrsen, toen deze hen waarschuwden, doch uit het Neurische land wezen zij den Perzen den weg naar het hunne.

126. Toen dit langen tijd zoo doorging en niet ophield, zond Darius een ruiter naar den koning der Scythen, Idanthyrsus, en zeide het volgende: „ wonderlijkste der mannen, wat vlucht gij steeds, terwijl het u vrijstaat een van beiden te doen? Want indien gij sterk genoeg meent te zijn mijn macht weerstand te bieden, blijf dan en strijd, ophoudend te zwerven; indien gij toegeeft de zwakste te wezen, houd ook dan op met uw rondloopen, en kom uw meester spreken, als giften aarde en water medebrengend."

127. Hierop antwoordde de koning der Scythen, Idanthyrsus, het volgende: „Met mij is het zóó, o Pers. Geen der menschen ben ik ooit uit vrees ontvlucht, noch vroeger, noch vlucht ik thans voor u, noch ben ik thans met iets anders bezig dan ik in vredestijd pleeg te doen. Waarom ik u niet terstond slag lever, ook dat zal ik u aanduiden. Wij hebben noch steden, noch met boomen begroeide aarde, voor welke vreezende, dat zij genomen of verwoest mochten worden, wij ons haasten