Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/405

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

129. Wat de Perzen hielp en de Scythen belemmerde bij hun aanvallen op het kamp van Darius, is zeer merkwaardig en ik zal het zeggen: de stem der ezels en het uiterlijk der muilezels. Want het Scythische land brengt noch ezels noch muilezels voort, zooals ik vroeger reeds verklaard heb, noch is er in het Scythische land ook maar één ezel of één muilezel, door de koude. De ezels nu schreeuwden en brachten de ruiterij der Scythen in verwarring. En dikwijls, middenin dat zij op de Perzen toereden, zoodra de paarden het geluid van de ezels vernamen, schrikten zij en keerden om en waren in verwondering, de ooren spitsende, daar zij noch vroeger zulk een geluid gehoord, noch zulk een gestalte gezien hadden.

130. Daarin hadden de Perzen eenigen tijd voordeel in den oorlog. Toen nu de Scythen zagen, dat de Perzen onrustig werden, deden zij, opdat genen langer tijd in Scythië zouden blijven en door te blijven in nood geraken bij gebrek aan alles, daarom deden zij nu het volgende. Als zij van hun eigen vee met de herders wat hadden achtergelaten, trokken zij zelf naar een andere plaats terug, en de Perzen, toegeschoten, grepen het vee en na de vangst verhieven zij zich op het gebeurde.

131. Toen zoo iets dikwijls geschiedde, geraakte Darius ten slotte in verlegenheid, en de koningen der Scythen dit vernemende, zonden een heraut aan Darius, die geschenken bracht: een vogel en een muis, en een kikvorsch en vijf pijlen. De Perzen vroegen den brenger der geschenken den zin van het geschonkene; doch deze zeide, dat hem niets anders was opgedragen dan te geven en ten spoedigste terug te keeren; doch hij ried de Perzen, indien ze verstandig waren, zelf te leeren, wat de ge, schenken zeggen wilden.