en ieder van hen, die den haas zag, liep hem na. Toen de Scythen zoo dooreenliepen en luid schreeuwden, vroeg Darius wat het geraas van de vijanden beteekende, en vernemende, dat zij den haas naliepen, sprak hij dan tot wie hij ook anders gewoon was te spreken: „deze mannen minachten ons zeer, en nu blijkt mij, dat Gobryas juist gesproken heeft over de Scythische geschenken. Daar ik nu zelf ook geloof, dat het zoo is, is er goede raad noodig, opdat onze terugtocht veilig zal wezen." Op die woorden zeide Gobryas het volgende: „o koning, ik wist ook vroeger reeds van hooren zeggen, dat niemand deze mannen naderen kan, en hier gekomen heb ik het nog meer geleerd, ziende, dat zij met ons spelen. Daarom dunkt mij nu, zoodra de nacht gekomen is, moeten wij, zooals wij gewoon zijn ook anders te doen, de vuren ontsteken, en die soldaten, welke te zwak zijn om de vermoeienissen te verdragen, bedriegen, en alle ezels vastbinden, en wegtrekken, voordat de Scythen naar de Ister gaan om de brug te verbreken, of ook de Ioniërs iets besluiten mochten, dat ons zal kunnen verderven."
135. Gobryas nu ried dit aan. En nadat de nacht gekomen was, maakte Darius ook van die meening gebruik; de zieken van zijn leger, en wier verlies van het minste belang was, en alle ezels, ze vastbindend, die liet hij daar in het kamp achter. Hij liet de ezels en de zwakken van zijn leger daarom achter, opdat de ezels schreeuwen zouden; doch de mannen werden achtergelaten om hun zwakte, en natuurlijk onder dit voorwendsel: hij zou zelf met het gezonde deel van het leger de Scythen aanvallen, en genen zouden in dien tijd het kamp beschermen. Toen hij dit nu aan de achtergelatenen opgedragen en vuren ontstoken had, ijlde Darius zoo snel mogelijk naar de Ister. De ezels nu, door het leger ver-