macht, noch hijzelf in staat zou wezen de Milesiërs te bedwingen, noch iemand anders een andere stad; want elk der steden zou liever een volksregeering willen hebben, dan een alleenheerscher. Toen Histiaeus die meening voorgedragen had, wendden allen zich terstond tot die meening, te voren die van Miltiades toegedaan.
138. Dezen nu, die beslisten en in aanzien stonden bij den koning, waren de alleenheerschers der Hellespontiërs: Daphnis van Abydus en Hippoclus van Lampsacus en Herophantus van Parium en Metrodorus van Proconnesus en Aristagoras van Cyzicus en Ariston van Byzantium. Dezen waren die uit den Hellespont, doch van Ionië Strattis van Chius en Aeaces van Samus en Laodamas van Phocaea en Histiaeus van Miletus, wiens meening tegenovergesteld was aan die van Miltiades. Van de Aeoliërs was de eenige belangrijke daar Aristagoras van Cymae.
139. Dezen nu, toen zij de meening van Histiaeus gekozen hadden, hesloten daaraan de volgende daden en woorden toe te voegen: om het deel van de brug aan de zijde der Scythen te verbreken, en ze te verbreken zoover een boogschot reikt, opdat zij zouden schijnen iets te doen, niets doende echter, en de Scythen niet zouden trachten geweld te gebruiken en als zij verlangden de Ister langs de brug over te steken, niet zouden kunnen; bovendien zouden zij zeggen, als zij de brug aan de Scythische zijde verbraken, dat zij alles zouden doen, wat den Scythen aangenaam was. Dit nu voegden zij aan Histiaeus' meening toe; en daarna antwoordde Histiaeus voor allen het volgende: „mannen Scythen, met goede zaken bij u zijt gij gekomen en ter gelegener tijd tijd dringt gij aan, en gelijk ons door u de goede weg getoond is, zoo zal ook door ons met zorg aan u gehoorzaamd worden. Want zooals gij ziet, breken wij zoowel