Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/41

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Phtiotis, doch onder Dorus, den zoon van Hellen, den streek aan den Ossa en den Olympus, genaamd Histiaeotis. Doch uit Histiaeotis werd het verjaagd door de Cadmeërs, en bewoonde het Pindos[1] en werd het Macednische volk geheeten. Van daar trok het wederom naar het land Dryopis, en uit Dryopis zoo naar den Peloponnesus gekomen, werd het 't Dorische genoemd.

57. Welke taal de Pelasgen spraken, kan ik niet met zekerheid zeggen. Indien ik iets mag besluiten afgaande op de nog nu levenden van de Pelasgen, die nu boven de Tyrseniërs de stad Creston bewonen, en eertijds naburen waren met die thans Doriërs heeten, (terwijl zij toen het nu Thessaliotis genoemde land bewoonden), en op die der Pelasgen, welke in Placia en Skylace bij den Hellespont zich vestigden, en die met de Atheners samenwoonden, en op zooveel andere steden, die, oudtijds pelasgisch, hun naam veranderd hebben, — indien ik op dezen afgaand iets mag besluiten, spraken de Pelasgen een barbaarsche taal. En wanneer dit bij het het geheele pelasgische volk zoo was, dan heeft het attische volk, van afkomst pelasgisch, tegelijk met zijn overgang in Hellenen ook zijn taal verleerd. Want noch zijn de Crestoniaten gelijk van taal met een der om hen wonende stammen, noch de Placianers, doch met elkander gelijk van taal, en zij bewijzen daardoor, dat zij den aard der taal, die zij bij hun verhuizing naar die streken mede droegen, zorgvuldig bewaren.

58. Het helleensche volk gebruikt, sinds het ontstond, altijd door dezelfde taal, naar het mij schijnt te zijn; evenwel, afgezonderd van de Pelasgen, was het eerst zwak, doch van een klein begin uitgaande is het aan-

  1. Een stad bij een gelijknamige rivier.