den overtocht af als hebben wij allen ijver, uit begeerte vrij te wezen. En terwijl wij dit verbreken, is u de gelegenheid genen te zoeken, en als ge hen gevonden hebt zóó voor ons en voor uzelf wraak te nemen, als genen verdienen."
140. De Scythen nu, voor de tweede maal de Ioniërs vertrouwende, dat zij waarheid spraken, wendden zich terug om de Perzen te zoeken, en vergisten zich in den ganschen tocht van genen. Daarvan waren de Scythen zelven schuld, die de weiden der paarden daar verwoest en de waterputten vernield hadden. Want zoo zij dat niet gedaan hadden, was het hun mogelijk geweest, zoo zij wilden, gemaklijk de Perzen te vinden. Doch nu, wat zij meenden het best overlegd te hebben, daarin dwaalden zij het meest. De Scythen nu gingen dat deel van hun land door, waar voeder voor de paarden was en water, en daardoor trokken zij en zochten de vijanden, in de verwachting, dat ook genen door zulke streken hun aftocht zouden maken, doch de Perzen behielden het spoor vroeger door hen ontstaan, en gingen daar langs, en vonden zoo met moeite de plaats van overtocht. Daar zij nu 's nachts aankwamen en de brug verbroken vonden, geraakten zij in de grootste angst, dat de Ioniërs hen verlaten hadden.
141. Doch bij Darius was een Egyptenaar, met de sterkste stem onder alle menschen; dezen man beval Darius te gaan staan op den oever van de Ister en Histiaeus den Milesiër te roepen. Deze dan deed dat, doch Histiaeus luisterend naar den eersten roep, bracht alle schepen aan om het leger over te zetten en herstelde de brug.
142. Zóó dan ontkwamen de Perzen. En de Scythen zochten en misten de Perzen ten tweede male, en voor-