Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/411

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

eerst nu oordeelen zij de Ioniërs, wanneer deze vrije mannen zijn, als de lafste en onmanlijkste van alle menschen, en ten tweede, zoo zij de Ioniërs als onvrijen beschouwen, noemen zij hen voortreflijke slaven, meesterlievend en 't minst wegloopend. Dat nu wordt door de Scythen de Ioniërs naar 't hoofd geworpen.

143. Darius trok door Thracië en kwam te Sestus in den Chersonesus; van daar stak hijzelf met de schepen naar Azië over, en liet als veldheer in Europa Megabazus achter, een Pers, wien Darius eer bewees, daar hij het volgende ten aanhoore van de Perzen zeide. Toen Darius granaatappels wilde eten en juist den eersten appel had opengemaakt, vroeg zijn broeder Artabanus hem, waarvan hij wilde, dat hij zoo groot een aantal had, als de granaatappel pitten. En Darius zeide, dat hij liever even zoovele Megabazussen wilde hebben, dan dat Hellas hem onderworpen was. Zoo sprekende eerde hij hem onder de Perzen, en toen liet hij hem als aanvoerder achter met acht tienduizendtallen van zijn leger.

144. Deze Megabazus liet door het volgende woord te spreken een onsterflijke herinnering bij de Hellespontiërs achter. Want toen hij in Byzantium was, vernam hij, dat de Chalcedoniërs zeventien jaren eerder dan de Byzantiërs zich in dit land gevestigd hadden, en dit vernemende, zeide hij, dat de Chalcedoniërs zeker blind waren geweest in al dien tijd, want niet hadden zij, terwijl zij het schoonere land konden bewonen, het slechtere gekozen, indien zij niet blind waren geweest. Deze Megabazus dan, toen als veldheer achtergelaten in het land der Hellespontiërs, onderwierp de niet Perzisch gezinden.

145. Deze nu deed dat. In denzelfden tijd geschiedde een andere groote veldtocht tegen Libye, om een aan