leiding, die ik aangeven zal, nadat ik eerst het volgende verhaald heb. De nakomelingen van hen, die de Argo bestegen hadden,[1] verdreven door de Pelasgen, — die, welke uit Brayron de vrouwen der Atheners geroofd hadden, — door dezen uit Lemnus verdreven, voeren zij naar Lacedaemon, en zetten zich op den Taygetus en ontstaken een vuur. De Lacedaemoniërs zagen dit en zonden een bode om te vragen, wie zij waren en van waar; genen zeiden den bode op zijn vraag, dat zij Minyers waren, nakomelingen van de helden, die in de Argo hadden gevaren: want dezen waren op Lemnus geland en hadden hen verwekt. De Lacedaemoniërs het verhaal van de afkomst der Minyers hoorende, zonden wederom om te vragen, waarvoor zij in het land waren gekomen en een vuur ontstoken hadden. Genen antwoordden: door de Pelasgen verdreven kwamen zij tot hun vaders, want het was het billijkste, dat dit zoo geschiedde; en zij vroegen bij hen te wonen, en een aandeel in hun rechten te hebben en een stuk land toegewezen te krijgen. En den Lacedaemoniërs behaagde het de Minyers op te nemen op hun eigen voorwaarden. En vooral dreef hen om zoo te doen de tocht der Tyndariden[2] in de Argo. En zij namen de Minyers op en gaven hun van het land en deelden hen in bij hun stammen. En genen sloten terstond huwelijken en aan anderen gaven zij de vrouwen, die zij uit Lemnus hadden medegevoerd.
146. Doch niet veel tijd later werden de Minyers overmoedig; zij eischten aandeel in het koningschap en deden andere, niet vrome dingen. De Lacedaemoniërs