Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/413

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

nu besloten hen te dooden, en grepen hen en wierpen hen in de gevangenis. Die zij dooden willen nu, dooden de Lacedaemoniërs des nachts, over dag niemand. Toen zij hen nu zouden ombrengen, smeekten de vrouwen der Minyers, — burgeressen waren zij en dochters van de eerste Spartanen, — om in de gevangenis te gaan en ieder haar eigen man te spreken. Zij lieten hen gaan, niet verwachtend, dat eenige list van hen komen zou. Doch de vrouwen, zoodra zij binnen waren gekomen, deden het volgende. Al het gewaad, dat zij hadden, gaven zij aan hun mannen, en namen zelve dat der mannen. En de Minyers trokken de vrouwekleederen aan, en gingen als vrouwen naar buiten, en op zulk een wijze ontkomen zetten zij zich weder op den Taygetus.

147. In dienzelfden tijd wilde Theras, zoon van Autesion, dien van Tisamenos, dien van Thersander, dien van Polynices, met een nederzetting uit Lacedaemon gaan. Deze Theras was van afkomst een Cadmeër, moedersbroeder van de zonen van Aristodemus, Eurysthenes en Procles. Toen dezen nog stamelende kinderen waren, kreeg Theras het koningschap te Sparta in voogdij. Toen nu zijn neven opgegroeid waren en het bestuur overgenomen hadden, zoo dan zeide Theras, die het onduldbaar vond beheerscht te worden, nadat hij van het heerschen geproefd had, dat hij niet blijven zou in Lacedaemon, doch naar zijn verwanten varen. Er bevonden zich namelijk op het eiland, nu Thera geheeten, doch vroeger Callista, nakomelingen van Membliarus, zoon van Poeciles, een Pheniciër. Want Cadmus, zoon van Agenor, toen hij Europa zocht, landde aan het nu Thera geheeten eiland, en toen hij daar geland was, hetzij dan het land hem beviel, hetzij hij het toch wilde doen, hij liet dan op dat eiland anderen der Phoeniciërs achter, en ook dan van zijn