Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/414

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

eigen verwanten Membliarus. Deze bewoonden het Callista geheetene eiland gedurende acht menschengeslachten, vóór Theras uit Lacedaemon kwam.

148. Tot deze mannen dan wilde Theras trekken met allerlei volk uit de stammen, om met genen samen te wonen, en geenszins om hen te verdrijven, doch als zijn verwanten beschouwde hij hen. Toen nu de Minyers uit de gevangenis ontsnapt op den Taygetus zich gezet hadden, en de Lacedaemoniërs overwogen om hen te dooden, vroeg Theras, dat er geen moord zou geschieden en hij beloofde zelf hen uit het land te zullen voeren. Daar de Lacedaemoniërs hem dan zijn verlangen toegaven, voer hij met drie dertigriemers naar de nakomelingen van Membliarus, niet alle Minyers medevoerend, doch enkele weinigen. Want de meesten van hen hadden zich gewend tot de Paroreaten en de Cauconen, en zij verdreven dezen uit het land en verdeelden zichzelf in zes afdeelingen, en daarna stichtten zij bij zich de volgende steden: Lepreum, Macistus, Phrixae, Pyrgus, Epium, Nudium; van dezen hebben in mijn tijd de Eleërs de meesten verwoest. Het eiland kreeg naar den stichter den naam Thera.

149. Zijn zoon, want die wilde niet medevaren, daarom zeide gene hem te zullen achterlaten als een schaap onder de wolven, en naar dat gezegde ontving die jongeling den naam Oeolycus,[1] en deze naam overwon zijn anderen. Oeolycus' zoon was Aegeus, naar wien de Aegiden heeten, een groote stam in Sparta. Daar nu bij de mannen in dezen stam de kinderen niet in het leven bleven, richtten zij volgens een orakel een tempel op voor de strafgodinnen van Laïus en Oedipus, en

  1. d. i. schaapwolf.