ders uit, niet velen, en toen Corobius hen naar het eiland Platea gebracht had, lieten zij Corobius daar, en lieten spijs achter voor zoo en zooveel maanden, en voeren zelf weg om aan de Theraeërs over het eiland bericht te brengen.
152. Toen zij echter langer wegbleven dan afgesproken was, ging het Corobius aan alles ontbreken. Daarna
werd een Samisch schip, welks eigenaar Colaeus was, op den vaart naar Egypte, naar dat Platea afgedreven, en de Samiërs vernamen van Corobius de gansche zaak en lieten spijs voor een jaar bij hem achter. Zelf echter zeilden zij weg van het eiland en naar Egypte verlangend, voeren zij heen en werden weggedreven door den oostewind; en, — want de wind hield niet op, — zij gingen de zuilen van Heracles door en kwamen in Tartessus, als door goddelijke beschikking. Deze handelsplaats was in dien tijd nog onaangeroerd, zoodat genen, teruggekeerd, de grootste winst van hun waren maakten van alle Hellenen, wier zaken wij nauwkeurig kennen, na Sostratus, zoon van Laodamas, den Aegineet, want met dezen kan geen ander wedijveren. Doch de Samiërs zonderden het tiende deel van de winst af, zes talenten[1], en maakten een metalen mengvat, op de wijze van een Argolisch mengvat; rond er om heen springen koppen van grypen uit; en zij wijdden het in den tempel van Hera, en plaatsten er drie metalen kolossen onder, van zeven ellen, op de knieën liggend. Om deze daad[2] hebben de Cyrenaeërs en de Theraeërs het eerst groote vriendschap met de Samiërs gesloten.
153. Doch de Theraeërs, nadat zij Corobius op het