Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/417

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

eiland achterlatend in Thera gekomen waren, boodschapten dat zij een eiland bij Libye bezet hadden. En de Theraeërs besloten van twee broeders er een, door het lot aangewezen, te zenden, en uit alle gewesten, zeven in getal, een zeker aantal[1] mannen, en hun aanvoerder en koning zou Battus wezen. Zoo dan zonden zij twee vijftigriemers naar Platea.

154. Dit verhalen de Theraeërs, doch in het overige van het verhaal eerst gaan de Theraeërs met de Cyrenaeërs mede. Want de Cyrenaeërs zijn het over Battus geenszins eens met de Theraeërs, want zij verhalen aldus. Er is op Creta een stad Oaxus, waarin Etearchus koning was, welke bij zijn moederlooze dochter, wier naam Phronima was, bij deze dochter een andere vrouw huwde. En toen deze in huis gekomen was, achtte zij het goed ook inderdaad een stiefmoeder voor Phronima te zijn, deed haar leed aan en dacht alles tegen haar uit, en eindelijkverweet zij haar oneerbaarheid en overreedde haar man, dat dit zoo was. En deze, door zijn vrouw bepraat, verzon een niet vrome daad tegen zijn dochter. Want er was toen Themison, een Theraeïsch koopman, in Oaxus, en dezen ontving Etearchus als gastvriend en dwong hem een eed af, waarlijk voor Etearchus te volbrengen, wat deze ook verzoeken mocht. Toen hij hem dat had doen zweren, nam hij zijn dochter en gaf die aan genen en vroeg hem haar weg te voeren en in zee te werpen. Doch Themison, vertoornd over de list van den eed, verbrak de gastvriendschap en deed het volgende. Hij nam de dochter mede en voer weg; en toen hij in de volle zee was gekomen, vervulde hij den afgedwongen eed van Etearchus: hij bond haar met snoeren vast en liet haar

  1. Het getal schijnt in den tekst uitgevallen te zijn.