in zee af, en hij trok haar weder op en kwam in Thera.
155. En daar nam Polymnestus, een aanzienlijk man onder de Theraeërs. Phronima tot zich en hield haar als bijzit. Na verloop van tijd baarde zij een zoon, hakkelend van stem en stotterend, die den naam Battus kreeg, zooals de Theraeërs en ook de Cyrenaeërs zeggen, doch naar ik vermoed, een anderen: Battus werd hij later genoemd, nadat hij in Libye was gekomen, en om het orakel, dat hem in Delphi was geworden, en wijl hij om de waardigheid die hij kreeg, dien naam aannam. Want de Libyers noemen den koning Battus, en daarom, denk ik, heeft de Pythia hem bij haar voorspelling in de Libysche taal zoo aangesproken, wetende dat hij koning zou wezen in Libye. Want toen die knaap man was geworden, ging hij naar Delphi om zijn stem, en op zijn vraag antwoordde hem de Pythia het volgende:
Zendt u naar 't schaaprijke Libye heen, om een stad daar te stichten,
evenals zij in de Helleensche taal zoude zeggen: „o koning, gij komt om uw stem." Gene antwoordde met het volgende: „o heer, ik kom tot u om te vragen over mijn stem, doch gij antwoordt mij iets anders e onmogelijks, bevelende een nederzetting naar Libye te brengen; met welke macht, met welke mannen?" Doch zoo zeggende bewoog hij haar niet iets anders te antwoorden, en toen zij hem hetzelfde verkondigde als te voren, verliet Battus haar midden in, en ging naar Thera.
156. Daarna ging het dezen Battus zelf en den anderen Theraeërs wederom zeer slecht; en daar de Theraeërs de oorzaak van hun onheilen niet kenden, zonden zij boden naar Delphi om te vragen over hun rampen. En de Pythia antwoordde hun, het zou hun beter gaan, zoo