Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/419

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zij Battus hielpen Cyrene in Libye te stichten. En daarna zonden de Theraeërs Battus uit met twee vijftigriemers. En dezen naar Libye gevaren, niet wetend toch, wat zij anders zouden doen, keerden weder terug naar Thera. Doch de Theraeërs schoten op de naderenden, en lieten hen niet aan land komen, doch bevalen hen terug te varen. En genen, gedwongen, voeren terug en zetten zich neder op een eiland bij Libye gelegen, welks naam, zooals reeds vroeger gezegd werd. Platea is. Dat eiland wordt gezegd gelijk van grootte te zijn met de huidige stad der Cyrenaeërs.

157. Daar woonden zij twee jaren, en daar hun niets voorspoedigs ten deel viel, lieten zij één van hen achter en de overigen voeren allen naar Delphi en bij het orakel gekomen vroegen zij, zeggende, dat zij Libye bewoonden, en het niets beter hadden, nu zij daar woonden. De Pythia antwoordt hun daarop het volgende:

Kent gij beter dan ik, die er was, schoon Libye's weiden Zouder er zelf te zijn, voorwaar ik bewonder uw wijsheid.

Dit hoorende voeren Battus en de zijnen weder terug; want toch de god ontsloeg hen niet van de nederzetting vóór zij in Libye zelf gekomen zouden zijn. En zij kwamen aan het eiland en namen op, dien zij achterlieten, en zetten zich neder op een plaats van Libye tegenover het eiland, met naam Aziris, die door de schoonste berghellingen aan weerskanten wordt ingesloten en aan iedere zijde een rivier heeft stroomen.

158. Die plaats bewoonden zij zes jaren. In het zevende echter vroegen de Libyers, of zij genen naar een beter oord zouden brengen, en besloten zij van daar te gaan. En de Libyers brachten genen van daar en leidden hen naar den avond, en opdat de Hellenen op den door