gegroeid tot een menigte volken, terwijl vooral Pelasgen zich bij hen voegden en vele andere barbaarsche volken. Want vóór die vereeniging was, naar mij schijnt, ook de pelasgische stam, barbaarsch van afkomst, geenszins belangrijk toegenomen.
59. Van deze volkeren dan werd het attische gedrukt en in tweespalt gebracht, naar Cresus vernam, door Pisistratus. Hippocrates' zoon, die in dien tijd te Athene alleenheerscher was. Want aan Hippocrates, die een gewoon burger was, overkwam, toen hij de olympische spelen zag, een groot wonder; want toen hij op de gebruikelijke wijze offerde, begonnen de ketels, die daar stonden, en die van vleesch vol waren en van water, zonder vuur te koken en liepen over. En Chilon, de Lacedaemoniër, die er bij was en het teeken zag, ried Hippocrates aan, vooreerst, geen kinderbarende vrouw in zijn huis te nemen; indien hij er een had, dan zijn vrouw weg te zenden, en indien hij reeds een zoon mocht hebben, dien te verstooten. Doch dezen raad van Chilon wilde Hippocrates niet volgen, en hem gewerd daarna deze Pisistratus, die, — toen de Atheners van de kust met die van de vlakte in twist waren geraakt, en aan het hoofd van de eenen Megacles stond, zoon van Alcmaeon, van die van de vlakte daarentegen Lycurgus, zoon van Aristolaïdes, — naar de alleen-heerschappij streefde en een derde partij bijeen bracht; hij verzamelde zijn aanhangers en terwijl hij voorwendde aan het hoofd van de berglieden te staan, verzon hij het volgende: hij bracht zich een wond toe en ook aan zijn muilezel, en reed naar de markt, alsof hij aan zijn vijanden ontvlucht was, die hem op zijn rit naar het veld hadden willen vermoorden, en hij smeekte het volk hem een lijfwacht te geven, daar hij toch vroeger zich onderscheiden had in den