Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/420

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

tocht de schoonste der streken niet zouden zien, maten zij voor het vertrek het uur van den dag nauwkeurig af, zoodat zij hen 's nachts voorbij die plaats voerden. De naam van die plaats is Irasa. En zij brachten genen bij de bron, die aan Apollon gewijd heet te zijn, en zeiden: „mannen Hellenen, hier is het een geschikt oord voor u om te wonen, want hier is de hemel doorboord."[1]

159. Gedurende het leven nu van Battus, den stichter, die veertig jaar lang regeerde, en zijn zoon Arcesilaüs, koning gedurende zeventien jaar, woonden de Cyrenaeërs daar, in aantal hoofden van geslachten zoovelen zijnde, als zij oorspronkelijk naar de nederzetting waren uitgezonden. Onder den derden koning echter. Battus, de gelukkige genaamd, dreef de Pythia met een spreuk alle Hellenen aan om te varen en met de Cyrenaeërs Libye te bewonen, want de Cyrenaeërs hadden hen uitgenoodigd tot een verdeeling van het land. Zij had de volgende spreuk gezegd:

Doch wie later naar Libye gaat, het land aller wenschen,
Zoo reeds de aard is verdeeld, zéér zal het hem, meen ik, berouwen.

Toen nu een groote schare te Cyrene bijeengekomen was, toen ontnamen zij veel land aan de omwonende Libyers, en dezen en hun koning. Adicran van naam, daar zij van hun land beroofd werden en beleedigd door de Cyrenaeërs, zonden boden naar Egypte en gaven zich aan Apriës, den koning van Egypte. En deze verzamelde een groot leger van Egyptenaars en zond het tegen Cyrene. De Cyrenaeërs trokken uit naar de plaats Irasa en bij de bron Thestes troffen zij samen met de Egyptenaars en overwonnen

  1. d. i. er viel daar veel regen.