Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/426

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Platea tot aan den mond van de Syrtis reikt het sylphium. Deze hebben zeden, nagenoeg dezelfde als de anderen.

170. Aan de avondzijde van de Giligamen wonen de Asbysten; dezen wonen boven Cyrene, doch zij reiken niet tot de zee, de Asbysten, want de kuststreek bezitten de Cyrenaeërs. Zij zijn niet de minste, doch de beste vierspanrijders onder de Libyers, en trachten de meeste zeden der Cyrenaeërs na te volgen.

171. Naast de Asbysten, naar den avond, zijn de Auschisen; dezen wonen boven Barce en reiken tot aan de zee bij de Euesperiden. Midden in het land der Auschisen wonen de Bacalers, een klein volk, reikend tot aan de zee bij de Barceesche stad Taucheira; zij hebben dezelfde zeden, als de boven Cyrene wonenden.

172. Naast die Auschisen, naar den avond, zijn de Nasamonen,[1] een groot volk, die des zomers de kudden bij de zee achterlaten en naar boven trekken naar de streek Augila, om de dadels te oogsten; de palmen groeien talrijk en groot, en zijn allen vruchtdragend. Wanneer zij sprinkhanen gevangen hebben, droogen zij die in de zon, stooten ze fijn, en dan ze op melk strooiend, drinken zij dien op. Ieder van hen heeft volgens de zede vele vrouwen, doch zij gebruiken hen gemeenschappelijk nagenoeg op dezelfde wijze als de Massageten: zij steken een stok voor de deur en paren met hen. Als een Nasamonisch man voor het eerst huwt, is het zede, dat de bruid in den eersten nacht alle gasten na elkander doorloopt en door hen bekend wordt; en dezen, als zij haar bekend hebben, geven haar ieder een geschenk, dat hij uit zijn huis heeft medegebracht. Zij

  1. Vergel. II. 32.