overige reeds beschrevene Libye kaal is; van de zee tot daar is tweehonderd stadiën.
176. Naast deze Macen wonen de Gindanen, wier vrouwen allen veel lederen enkelringen dragen, om de volgende reden, zooals gezegd wordt: voor iederen man, die met haar gepaard heeft, bindt zij een ring om; en die er het meest heeft, die geldt voor de beste, daar zij door de meeste mannen bemind wordt.
177. Een spits van het land dier Gindanen, die in de zee uitsteekt, bewonen de Lotophagen, die alleen van de vrucht des lotus' leven. De vrucht van den lotus is in grootte, zooals die van den mastix, en in zoetheid gelijkend op de vrucht van den dadelpalm. Uit die vrucht bereiden de Lotophagen ook wijn.
178. Naast de Lotophagen op de kust wonen de Machlyen, en ook deze eten den lotus, doch minder dan de vroeger genoemden. Zij reiken tot aan een groote rivier, die Triton heet, en deze valt in een groot meer, het Tritonische, en daarin ligt een eiland, van naam Phla. Op dit eiland, zegt men, moesten de Lacedaemoniërs volgens een godspraak een nederzetting brengen.
179. En ook dit verhaal wordt verhaald. Iason, nadat hij de Argo aan den voet van den Pelion geheel gebouwd had, bracht een hecatombe er in en ook dan een metalen drievoet en voer den Peloponnesus om, daar hij naar Delphi wilde gaan. En toen hij op zijn vaart bij Malea was, greep hem de noordewind en dreef hem naar Libye; doch voor hij land zag, geraakte hij in de ondiepten van het Tritonische meer. En toen hij in verlegenheid was hoe er uit te komen, was Triton[1], zegt men, verschenen
- ↑ De stroomgod van de in het vorige hoofdstuk genoemde rivier.