haar vader gaf zij zich zelf aan Zeus, en Zeus maakte haar tot zijn dochter. Dit nu verhalen zij, en zij gebruiken de vrouwen in gemeenschap, zonder te huwen, en paren als het vee. Als echter het kind bij de vrouw groot is geworden, komen de mannen in de derde maand daarna bijeen, en op wien der mannen het kind lijkt, diens zoon wordt het geacht.
181. Deze zijn thans opgenoemd als de zwerfstammen der Libyers in de kuststreek; boven hen, het land in, is het dierenrijke deel van Libye, en daar voorbij loopt een zandige heuvelrij, zich strekkende van het Egyptische Thebae tot de zuilen van Heracles. In die zandstreek zijn telkens op ongeveer tien dagen wegs afstand stukken zout in groote korrels op de heuvels, en uit den top van iederen heuvel schiet midden uit het zout koud en zoet water, en daarbij wonen menschen, die de uitersten zijn naar de woestijn toe en boven het dierenrijke land. De eersten van Thebae uit, na een tiendaagschen weg, zijn de Ammoniërs, die den tempel van den Thebaanschen Zeus hebben. Want ook in Thebae, zooals ik ook vroeger gezegd heb, heeft het beeld van Zeus een rammekop. Zij hebben ook nog ander water, uit een bron, die in den ochtend lauw is, doch bij de volle markt kouder, en de middag komt, en zij wordt zeer koud, en dan besproeien zij hun tuinen, en als de dag daalt verliest het water van zijn koude, totdat de zon ondergaat en het water lauw wordt; en nog steeds meer toenemende in warmte nadert het water middernacht, en dan kookt het al opborrelend; middernacht gaat voorbij en het verkoelt tot den dageraad. Deze bron wordt de zonnebron genoemd.
182. Na de Ammoniërs, door de zandstreek heen een anderen tiendaagschen weg verder, is een zoutheuvel gelijk