aan den Ammonischen en water, en menschen wonen daarom. Deze plaats heet Augila. Naar die plaats trekken de Nasamonen om de dadels te oogsten.
183. Na de Augilers, een anderen tiendaagschen weg verder, is een andere zoutheuvel en water en vele vruchtdragende dadelpalmen, evenals in de andere plaatsen, en daar wonen menschen, die Garamanten heeten, een zeer groot volk, dat op het zout aarde brengt en zoo zaait. Hier is de kortste weg naar de Lotophagen, en van deze tot genen is het een weg van dertig dagen. Bij hen zijn ook de achteruit grazende runderen; achteruit grazend zijn zij om de volgende reden. Zij hebben hoornen, die naar voren gebogen zijn; en daarom grazen zij achteruit wijkende, want naar voren kunnen zij niet, daar de hoornen in de aarde zouden stooten. In niets anders verschillen zij van de andere runderen, behalve daarin en in de dikte en lenigheid van den huid. Deze Garamanten maken met hun vierspannenjacht op de holbewonende Ethiopiërs; want deze holbewonende Ethiopiërs zijn de snelvoetigste van alle menschen, over welke wij berichten hebben gehoord. De holbewoners eten slangen en hagedissen en andere diergelijke kruipende dieren; zij spreken een taal, die op geen enkele andere gelijkt, maar zij krijschen evenals vleermuizen.
184. Na de Garamanten, een anderen tiendaagschen weg verder, is een andere zoutheuvel en water, en daarbij wonen menschen, die Ataranten heeten, die, de eenigen der menschen waarvan wij weten, zonder naam zijn; want te samen heeten zij Ataranten, doch ieder van hen voor zich heeft geen naam. Dezen verwenschen de zon, zoo zij te heet brandt en schelden haar bovendien met alle schandelijke woorden, daar zij hen door haar branden verteert, de menschen zelf en hun land. Daarna, een