weg van tien andere dagen verder, is een andere zoutheuvel en water, en daarbij wonen menschen. Naast dezen zoutheuvel ligt een berg, welks naam Atlas is ; deze is smal en overal rond, en, naar verhaald wordt, zóó hoog, dat het niet mogelijk is zijn toppen te zien; want nooit laten de wolken ze vrij, noch des zomers, noch des winters. De inlanders beweren, dat hij de zuil van den hemel is. Naar dien berg hebben die menschen hun naam ontvangen, want zij heeten Atlanten. Men zegt, dat zij geen enkel dier eten, noch droomen zien.
185. Tot aan deze Atlanten nu kan ik de namen der bewoners van de zandstreek opnoemen, doch voorbij hen niet meer. Doch zeker reikt de vlakte tot aan de zuilen van Heracles en buiten deze heen. Er is een zoutmijn in, een weg van tien dagen verder, en menschen wonen daar. Die allen bewonen huizen uit brokken zout gebouwd. Want dat is reeds het regenlooze deel van Libye, want niet zouden de wanden, van zout gemaakt, kunnen blijven, indien de god regende. Dat zout wordt daar zoowel wit als rood van uiterlijk opgegraven. Voorbij die heuvelrij naar den zuidewind en het land in is Libye woestijn en zonder water en dieren en regen en hoomen, en er is niets van vochtigheid daarin.
186. Zoo zijn de Libyers tot aan het Tritonische meer van Egypte af vleeschetende en melkdrinkende zwerfstammen, doch van koeien proeven zij niet, om de zelfde reden als de Egyptenaars, en zij fokken ook geen zwijnen. Van de koeien willen nu ook de vrouwen der Cyrenaeërs niet eten om de Egyptische Isis, doch zij vasten zelfs en vieren feesten voor haar ; en de vrouwen der Barceërs proeven, behalve van de koeien, ook van de zwijnen niet.
187. Zoo nu is het daarmede. Doch aan de avondzijde van het Tritonische meer zijn de Libyers geen zwerf-