geverfd zijn, en naar die geitevellen hebben de Hellenen de geitevelpantsers aegis genoemd. En mij schijnt het ook, dat het luide roepen bij de heilige plechtigheden het eerst daar ontstaan is, want dat doen de Libysche vrouwen zeer schoon. En ook om vier paarden tezamen te spannen hebben de Hellenen van de Libyers geleerd.
190. De zwerfstammen begraven hun gestorvenen evenals de Hellenen, behalve de Nasamonen. Deze begraven den doode in een zittende houding, oplettende, wanneer hij het leven laat varen, dat zij hem tot zitten brengen en hij niet achteroverliggend sterft. Hun woningen zijn samengevoegd uit stengels van asphodelen, met riet vervlochten, en zijn draagbaar. Zulke zeden hebben dezen dan.
191. Aan de avondzijde van de rivier de Triton, naast de Auseërs wonen reeds landbouwende Libyers en die huizen plegen te bezitten; hun naam is de Maxyers; deze laten aan de rechterzijde des hoofds het haar groeien, doch aan de linkerzijde scheeren zij het; zij besmeren hun lichaam met menie. Zij beweren van de uit Troia gewekenen af te stammen. Dit land en het overige van Libye naar den avond is veel rijker aan dieren en dichter begroeid, dan het land der zwerfstammen. Want het deel van Libye aan de dageraadzijde, dat de zwerfstammen bewonen, is laag en zandig, tot aan de rivier de Triton, doch daar van daan naar den avond is het land der akkerbouwers zeer bergachtig en dicht begroeid en rijk aan wilde dieren; want daar zijn de overgroote slangen en de leeuwen en de olifanten en de beeren en de giftige adders en de ezels, die hoornen hebben, en de hondskoppen, en de koploozen, die de oogen in de borst hebben, zooals althans door de Libyers verhaald wordt, en de wilde mannen en de wilde vrouwen, en een groote menigte andere wilde dieren, die niet verzonnen zijn.