Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/435

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

192. Bij de zwerfstammen is er geen enkel van die dieren, doch er zijn de volgende andere: pygargen en antilopen en buffels en ezels, — niet, die hoorns hebben, doch andere, — drankloozen (want zij drinken niet) en gazellen, van wier hoorns de vleugels van de cithers gemaakt worden (dit dier is in grootte zooals een rund), en vossen en hyena's en stekelvarkens en wilde rammen en dictyes en jakhalzen en panthers en boryes, en landkrokodillen, drie ellen groot, zeer veel gelijkend op hagedissen, en struisvogels en kleine slangen, die ieder één hoorn hebben. Dat zijn de dieren daar, en dan ook de zelfden als elders, behalve het hert en het wilde zwijn; want het hert en het wilde zwijn komen gansch niet in Libye voor. Er zijn daar drie soorten van muizen: de eenen heeten de tweevoetigen, de tweeden de zegeries (dit is een Libysch woord, en beteekent volgens de Helleensche taal heuvels), de derden egels. Er zijn ook wezels in het silphium, zeer gelijkend op de Tartessische. Deze dieren nu heeft het land der Libysche zwerfstammen, voor zoover wij door nasporing maar bij machte waren te komen.

193. Naast de Libysche Maxyers wonen de Zauecen, wier vrouwen in den oorlog de krijgswagens besturen.

194. Naast dezen wonen de Gyzanten, bij welke de bijen veel honig bereiden; doch nog veel meer zegt men, dat arbeiders bereiden. Doch zeker besmeren allen zich met menie en eten apen; die leven daar in menigte in de bergen.

195. Bij dezen zeggen de Carthagers, dat het eiland ligt. Cyrauis genaamd, in lengte tweehonderd stadiën, doch in breedte smal, bereikbaar van het vaste land uit, en vol olijfboomen en wijnstokken. Er zou daarin een meer zijn, waaruit de jonkvrouwen met vogelveêren, die