Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/47

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

man bij de Spartanen naar Delphi ging tot het orakel, en hij het heiligdom binnentrad, zeide de Pythia terstond het volgende:

Hier dan, o gij Lycurgus, ten rijken tempel dan komt gij
Dierbaar aan Zeus en aan allen, bewonend de Olympische huizen, —
'k Twijfel of ik een god, dan of ik een mensch u noeme.
Doch veel eer nog een god, zou ik denken, o gij Lycurgus.

Sommigen nu zeggen, dat de Pythia daarbij hem ook de nu bij de Spartanen bestaande inrichting aangegeven heeft, doch naar de Lacedaemoniërs zelf zeggen heeft Lycurgus, toen hij voogd was over Leobotas, zijn broederszoon en koning van de Spartanen, uit Creta die zaken overgebracht. Want nauwlijks was hij voogd geworden, of hij veranderde alle gebruiken, en droeg zorg, dat niemand ze zou overtreden. Daarna voerde Lycurgus instellingen voor den oorlog in, de enomotiën[1]) de triacaden,[2] en de sussitiën[3] en bovendien de ephoren[4]) en de ouden[5].

66. Zoo dan veranderden zij hun instellingen en hadden zij goede wetten, en voor Lycurgus richtten zij na zijn dood een tempel op en eerden hem grootelijks. Daar zij in een goed land en in menigte van niet weinige mannen waren, schoten zij terstond op en bloeiden. En toen voldeed het hun niet meer om rustig te blijven, doch meenende sterker te zijn dan de Arcadiërs, wendden zij zich tot het orakel in Delphi met een vraag om het

  1. Woordelijk: eedgenootschap; een afdeeling van 25 man.
  2. Afdeeling van 30 man.
  3. Gemeenschappelijke maaltijden.
  4. Raad van toezicht.
  5. Raad van ouden.