antwoordde hun: als zij de beenderen van Orestes, zoon van Agamemnon teruggebracht zouden hebben. Daar zij evenwel het graf van Orestes niet vinden konden, zonden zij wederom boden naar den god, die de plaats zouden vragen, waarin Orestes lag. Op die vraag antwoordde de Pythia den gezanten het volgende:
Blazen er winden een tweetal, door machtige krachten gedwongen.
Slag vindt terugslag steeds, en onheil valt daar op onheil.
Daar dekt den zoon Agamemnons de levenwekkende aarde.
Haal hem van daar, dan zijt ge van Tegea dra de beschermer.
Toen de Lacedaemoniërs ook dit gehoord hadden, waren zij niets minder ver van het ondekken af, hoewel zij alles doorzochten, totdat Lichas, een van de zoogenaamde Agathurgen[1] der Spartanen, het vond. De Agathurgen zijn burgers, en treden uit de klasse der ridders als de oudsten van dezen, ieder jaar vijf in getal, en zij moeten in het jaar, waarin zij uit de klasse der ridders treden, voor den spartaanschen staat overal heen zendingen verrichten, zonder rust te nemen.
68. Lichas nu, een van deze mannen, vond de plaats in Tegea door toeval zoowel als door schranderheid. Want terwijl er in dien tijd verkeer was met de Tegeaten, kwam hij in een smidse en zag daar ijzer smeeden, en aanschouwde met verbazing wat gedaan werd. De smid hem in verbazing ziende, zeide, daar hij ophield van zijn werk: „Voorwaar, o vreemdeling Laconiër, indien gij gezien hadt, wat ik,
- ↑ Weldoeners.