Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/50

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dan zoudt ge u nog meer verbaasd hebben, daar ge nu reeds zulk een verbazing toont over de bewerking van het ijzer. Want toen ik in dezen hof een put wilde maken, stootte ik al gravende op een kist van zeven ellen; uit ongeloof, dat er ooit menschen zouden geweest zijn grooter dan die nu, maakte ik ze open, en ik bevond het lijk van gelijke lengte met de kist; en ik mat het en sloot de kist weder. "Hij nu zeide, wat hij gezien had, doch de ander het gezegde overwegend, giste dat dit volgens de orakelspreuk Orestes was, op deze wijze gissende: in de beide blaasbalgen van den smid, die hij zag, vond hij de winden; in het aambeeld en den hamer den slag en den terugslag; in het smeeden van het ijzer het onheil dat op onheil valt, zóó ongeveer denkende, dat het ijzer tot ramp van den mensch is gevonden. Dit nu gissende zeide hij, te Sparta teruggekeerd, de gansche zaak aan de Lacedaemoniërs. En dezen brachten hem om een voorgewenden schuld voor het gerecht en verbanden hem. Hij ging toen naar Tegea en verhaalde zijn ongeluk aan den smid en trachtte te vergeefs van den onwilligen den hof te huren. Toen hij echter na eenigen tijd hem overreed had, ging hij daar wonen; hij opende het graf, verzamelde de beenderen en bracht ze naar Sparta. En sinds dien tijd, wanneer zij hun krachten maten, waren de Lacedaemoniërs verreweg de meerderen in den oorlog; en reeds was het grootste deel van den Peloponnesus hun onderworpen.

69. Toen Cresus dan dit alles vernomen had, zond hij boden naar Sparta, die geschenken brachten en om bondgenootschap verzochten, terwijl hij hun opdroeg wat zij zeggen moesten. En zij zeiden bij hun komst: „Ons heeft Cresus gezonden, de koning der Lydiërs en van andere volkeren, zeggende deze woorden: O Lacedaemoniërs, nu de god mij geboden heeft den Helleen tot vriend te maken, —