Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/57

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

leger dat bij hem was en tegen de Perzen gestreden had, voor zoover het uit huurlingen bestond, stuurde hij het weg en verstrooide het, geenszins verwachtende, dat Cyrus werkelijk, na zoo zonder voordeel gestreden te hebben, naar Sardes zou optrekken.

78. Terwijl Cresus dit overlegde, werd de voorstad geheel gevuld met slangen. En op hun verschijning kwamen de paarden aan, ophoudende de weiden te weiden, en aten ze op. Aan Cresus, die het zag, scheen dit, zooals het ook was, een wonderteeken te zijn. Terstond zond hij gezanten naar de teekenduiders van Telmessus. Doch dezen gezanten, toen zij aangekomen waren en van de Telmessiërs vernomen hadden wat het wonder wilde zeggen, ontbrak de gelegenheid het aan Cresus over te brengen; want voor dat zij naar Sardes teruggevaren waren, was Cresus gevangen genomen. De Telmessiërs echter hadden het wonder op de volgende wijze verklaard, dat Cresus een vreemd leger in zijn land te wachten stond, en dat dit bij zijn komst de menschen van het land onderwerpen zou, zeggende dat de slang een kind der aarde is, het paard daarentegen een vijand en een vreemdeling. De Telmessiërs nu antwoordden dit aan Cresus, toen hij reeds gevangen was, terwijl zij nog niets wisten van wat met Sardes en Cresus zelf geschied was.

79. Cyrus, echter, zoodra Cresus na den bij Pteria voorgevallenen slag weggetrokken was, begreep, dat Cresus na zijn terugtocht zijn leger uiteen zou laten gaan, en bevond na overweging dat het zaak voor hem was zoo snel hij kon naar Sardes te trekken, voordat voor de tweede maal de macht der Lydiërs vereenigd was. En toen hij dit besloten had, voerde hij het ook terstond uit, want terwijl hij zijn leger naar Lydië voerde, bracht hij zelf de tijding aan Cresus. Toen voerde Cresus,