in groote verlegenheid geraakt, daar de zaken tegen zijn verwachting gingen anders dan zooals hij verwacht had, toch de Lydiërs uit ten strijde. In dien tijd was er geen enkel volk in Azië noch dapperder noch krijgshaftiger dan het lydische. Zij streden te paard, en droegen groote speeren en waren voortreflijke ruiters.
80. En daar zij elkander ontmoetten op het veld, dat vóór de stad Sardes is gelegen en groot en kaal is, andere rivieren en ook de Hyllus breken daar doorheen en banen zich een weg naar de grootste, de Hermus genaamd, die van den heiligen berg der Dindymenische Moeder[1] stroomend in zee valt bij de stad Phocaea, toen nu Cyrus de Lydiërs ten strijde geschaard zag, vreesde hij hun ruiterij en deed op voorslag van Harpagus, een man van de Meden, het volgende: de kameelen die het leger volgden, spijs dragende en pakken, die allen bracht hij bijeen, nam de lasten weg en plaatste mannen op hen, als ruiters gekleed, en zóó ze toegerust hebbend beval hij hen vóór het overige leger op te rukken tegen de ruiterij van Cresus; aan het voetvolk evenwel beval hij de kameelen te volgen, en achter het voetvolk schaarde hij al zijn ruiterij. Toen allen nu in slagorde geschaard waren, liet hij omroepen om zonder ontzien de andere Lydiërs te dooden, ieder die in den weg kwam, doch Cresus zelven niet te dooden, ook niet indien hij zich bij zijn gevangenneming te weer stelde. Dit liet hij omroepen; en de kameelen plaatste hij vóór de ruiterij om de volgende reden: een paard is bang voor een kameel, en kan niet verdragen noch zijn uiterlijk te zien, noch zijn reuk te ruiken. En daarom juist had hij die list beraamd, opdat
- ↑ d. i. Cybele.