Cresus geen nut zou hebben van zijn ruiterij, met welke de Lydiër zelfs meende te zullen schitteren. En toen zij dan ook den slag begonnen, zoodra de paarden de kameelen roken en ze zagen, keerden zij zich om, en Cresus' hoop was vernietigd. Doch geenszins waren de Lydiërs laf daarop, doch toen zij het gebeurde zagen, sprongen zij van hun paarden en streden te voet met de Perzen. Eindelijk, nadat van beiden velen gevallen waren, sloegen de Lydiërs op de vlucht, en opgesloten in de vesting werden zij door de Perzen belegerd.
81. Voor hen dan was er belegering gekomen, doch Cresus meenende, dat het beleg langen tijd duren zou, zond uit de vesting op nieuw boden naar de bondgenooten. Want de vorigen waren gezonden om hen op te roepen, dat zij in de vijfde maand te Sardes bijeen zouden wezen, dezen echter zond hij uit om hen te vragen zoo spoedig mogelijk te hulp te komen, daar Cresus belegerd werd.
82. Hij zond dan boden naar de andere bondgenooten en ook naar de Lacedaemoniërs. Den Spartanen zelf evenwel was juist in dien zelfden tijd een twist overvallen tegen de Argiven over een plaats. Thyrea genaamd. Want dit Thyrea, dat tot het gebied van Argolis behoorde, hadden de Lacedaemoniërs weggenomen en bezet. Doch tot Malea toe naar de avondzijde[1] was het gansche land van de Argiven, zoo wel wat op het vaste land lag, als het eiland Cythera en de andere eilanden. Toen de Argiven ter verdediging van het hun ontnomene land optrokken, toen traden de partijen in onderhandeling en kwamen overeen, dat van ieder driehonderd man zouden strijden, en die de overwinning behaalden, van dezen zou de streek zijn; doch de hoofdmacht van ieder leger zou naar zijn
- ↑ De uitdrukking „naar de avondzijde" is onduidelijk.