Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/61

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

83. Terwijl de zaken der Spartanen aldus stonden, kwam de sardiaansche heraut met het verzoek om Cresus, die belegerd werd, te hulp te komen. En toch, zoodra zij den heraut gehoord hadden, haastten zij zich hulp te brengen. En reeds waren zij toegerust en de schepen in gereedheid, toen een andere boodschap kwam, dat de vesting der Lydiërs veroverd en Cresus levend gevangen genomen was. En zij nu gevoelden groote smart en hielden af van den tocht.

84. Doch Sardes was op de volgende wijze ingenomen. Toen de veertiende dag gekomen was, sinds Cresus belegerd werd, zond Cyrus door zijn leger ruiters heen om te verkondigen, dat hij den eersten, die de vesting beklommen had, geschenken zou geven. Nadat het leger dit beproefd had, doch het niet gelukte, toen beproefde, daar de anderen er mee opgehouden hadden, een mardisch man, wiens naam Hyroeades was, op te klimmen langs den kant van den burcht, waar geen schildwacht opgesteld, was, want er was geen gevaar, dat hij langs die zijde zou genomen worden. Want steil is daar de burcht en oninneembaar, en aan deze zijde alleen had Meles, de vroegere koning van Sardes, den leeuw niet rondgedragen, dien zijn bijzit hem gebaard had, toen de Telmessiërs hadden verkondigd, dat Sardes onneembaar zou zijn als de leeuw om de vesting werd rondgedragen. Meles nu droeg den leeuw rond langs de andere deelen der vesting, waar de plaats bestormd kon worden, doch dat punt beschouwde hij als ontoegankelijk en steil; dit deel van de vesting is naar den berg Tmolos gewend. Hyroeades nu, die Mardiër, den dag te voren ziende, dat een der Lydiërs langs dit punt van den burcht afklom en zijn van boven gevallen helm opnam, lette goed op en overwoog het wel. Toen klom hij zelf naarboven