Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/62

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en andere Perzen klommen hem na omhoog; toen nu velen opgeklommen waren, werd Sardes dan zoo ingenomen en geheel de stad verwoest.

85. Cresus zelven overkwam het volgende. Hij had een zoon, van wien ik ook vroeger melding maakte, die in andere opzichten flink was, doch zonder stem. In zijn vroegeren voorspoed nu had Cresus alles aan hem gedaan en andere dingen overleggende, had hij ook naar Delphi boden gezonden om over hem om raad te vragen. En de Pythia zeide hem het volgende:

Lydië's zoon, die velen beheerscht, o onnoozele Cresus,
Wensch niet de stem van uw zoon, de veel gewenschte, te hooren
Klinkende in uw paleis; veel liever moge dat verre
Blijven van u: hij zal spreken in de eerste ure des onheils.

Toen nu de vesting genomen werd, want een der Perzen, Cresus voor een ander houdend, kwam aan om hem te dooden, lette Cresus, die hem zag aankomen, er niet op door het onheil van het oogenblik, noch kon het hem schelen door een slag om te komen; doch zijn zoon, die stemlooze, toen hij den Pers zag aankomen, toen brak hij door angst en ramp zijn stem los, en zeide: „ O mensch, dood Cresus niet." Hij dan sprak dit als eerste woorden, en daarna sprak hij den ganschen tijd van zijn leven.

86. De Perzen dan kregen Sardes in bezit en namen Cresus levend gevangen, die veertien jaren geregeerd had en veertien dagen belegerd was geworden, en volgens het orakel zijn eigen groot rijk had doen vallen. En de Perzen grepen hem en brachten hem voor Cyrus. Deze liet een grooten brandstapel oprichten en Cresus in boeien