Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/63

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gebonden daarop brengen en tweemaal zeven lydische knapen bij hem, in den geest hebbende, hetzij dezen eersten buit aan een der goden te offeren, hetzij daar hij een gelofte wilde vervullen, hetzij ook daar hij vernomen had, dat Cresus godvruchtig was, en hij hem daarom dan op den stapel brengen liet, om te zien, of een der goden hem redden zou van levend verbrand te worden. Hij dan deed dit, doch aan Cresus, die op den stapel stond, kwam, ook in dit ongeluk, het woord van Solon te binnen, als door goddelijke ingeving uitgesproken, dat geen der levenden gelukkig is. Toen dit hem te binnen kwam, ademde hij op en na lang zwijgen omhoog zuchtend noemde hij tot driemalen Solon. En Cyrus hoorde dit en beval de tolken Cresus te vragen, wien hij daar aanriep. En zij gingen en vroegen, doch Cresus zweeg lang op hun vragen; dan echter, toen hij gedwongen werd, zeide hij: „hem, die het mij meer waard zou zijn dan vele schatten, zoo hij tot alle heerschers kon spreken." Daar hij echter woorden sprak, hun onverstaanbaar, vroegen zij weder, wat hij zeide. Toen zij aandrongen en hem lastig vielen, zeide hij eindelijk, dat eertijds Solon een Athener bij hem was gekomen, en al zijn schatten gezien had en ze geminacht, dingen zeggend, die geheel aan hem overkomen waren, zooals gene ze zeide, en geenszins meer voor hem alleen sprekend, dan voor alle menschen en vooral voor hen, die zich bij zichzelf voor gelukkig hielden. Dit nu vertelde Cresus en reeds was de brandstapel aangestoken en brandden de uiterste deelen er van. En Cyrus van de tolken vernemend wat Cresus gezegd had, veranderde van zin en overwoog, dat hij, zelf een mensch, een ander mensch, die niet minder dan hij in grootheid geweest was, levend aan het vuur wilde geven, en daarbij vreesde hij de vergelding en bedacht,