dat niets bij de menschen zeker is, en beval zoo spoedig mogelijk het brandende vuur te blusschen en Cresus, en die bij Cresus, er af te brengen. En zij trachtten, doch konden het vuur niet meer overweldigen.
87. Toen heeft Cresus, naar de Lydiërs zeggen. Cyrus' verandering bemerkend, daar hij zag dat alle mannen het vuur wilden blusschen, doch het niet meer bedwingen konden, luid tot Apollo gesmeekt en hem aangeroepen: indien deze ooit van hem een welgevallig geschenk ontvangen had, hem bij te staan en hem te redden uit het tegenwoordige gevaar. Hij nu riep weenende den God aan, doch aan den helderen en windloozen hemel liepen plotseling wolken te samen en een storm brak los en regende met het heftigste water en bluschte den stapel. En Cyrus, zoo leerende, dat Cresus een godvruchtig en rechtschapen man was, liet hem van den stapel brengen en vroeg hem het volgende: „Cresus, wie der menschen bewoog u tegen mijn rijk op te trekken en mijn vijand in plaats van mijn vriend te worden?" En hij zeide: "o koning, ik heb dat gedaan tot uw geluk, doch tot mijn onheil. Doch schuld daarvan was de god der Hellenen, die mij aandreef om op te trekken. Niemand toch is zoo dwaas, dat hij den oorlog boven den vrede verkiest; want in den laatsten begraven de zoons hun vaders, in den eersten de vaders hun zoons. Doch den goden was het lief, dat het zoo geschieden zou."
88. Hij nu zeide dit, en Cyrus maakte zijn boeien los en zette hem dicht bij zich en behandelde hem met grooten eerbied; en hij zelf bewonderde hem en allen die bij hem waren. Cresus zat in nadenken en was stil. Doch daarna zich omkeerend en de Perzen ziende, die de stad der Lydiërs plunderden, zeide hij: „o koning, moet ik zeggen, wat ik denk, of zwijgen in dezen toestand?" Cyrus