Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/65

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

beval hem onbevreesd te zeggen, wat hij wilde. En de ander vroeg hem, zeggende: „ die groote menigte daar, waarmede is zij zoo ijverig bezig?" En hij zeide: „uw stad plundert zij en uw schatten sleept zij weg." Doch Cresus antwoordde: „noch mijn stad, noch mijn schatten plundert zij, want niets behoort mij meer daarvan; doch het uwe rooft zij en sleept zij."

89. Cyrus trof, wat Cresus zeide, en de anderen wegzendend, vroeg hij Cresus, wat nadeeligs hij voor hem in die daad zag. De ander zeide: „ daar mij de goden u als slaaf hebben gegeven, is mijn plicht, indien ik wat meer bespeur dan gij, het u aan te wijzen. De Perzen zijn van nature overmoedig en zonder rijkdommen; indien ge nu hen toelaat groote schatten te rooven en te bezitten, verwacht dan wel, dat dit u van hen overkomen zal: die het meest van hen bezit, verwacht, dat deze tegen u zal opstaan. Daarom, doe nu zoo, indien u behaagt, wat ik zeg. Plaats uit uw speerdragers wachten bij alle poorten, en laat hen de schatten afnemen van die ze wegdragen, en tot dezen zeggen, dat de buit als tiende aan Zeus moet opgebracht worden. Dan zult gij hun niet gehaat zijn, dat ge met geweld de schatten wegneemt, en zij, inziende dat ge doet wat billijk is, zullen ze u vrijwillig afstaan."

90. Cyrus dit hoorend verheugde zich grootelijks, daar de raad hem zeer goed toescheen; hij prees hem zeer en aan zijn speerdragers opdragend te volbrengen, wat Cresus aangegeven had, zeide hij tot Cresus: „Cresus, daar ge u bereid toont daden en woorden van een koninklijk man te geven, vraag een geschenk, dat ge terstond hebben wilt." En hij zeide: „o heer, het meest zult ge mij verheugen, indien ge mij toelaat den god der Hellenen, dien ik van de goden het meest geëerd heb, terwijl ik deze boeien zend, te vragen, of het gebruik bij hem is,