die hem wel deden te bedriegen." Cyrus vroeg hem, wat hij den god ten laste legde, dat hij dit verzocht. En Cresus verhaalde hem wederom geheel zijn plan en de antwoorden der godspraken, en vooral de wijgeschenken, en hoe hij steunend op het antwoord tegen de Perzen opgetrokken was. En dit verhalend kwam hij weder terug op zijn verzoek, dat hij hem toe zou staan den god daarover te beschimpen. Cyrus zeide lachend: „ook dat zult ge van mij verkrijgen. Cresus, en ieder ander ding, dat ge ook maar verlangen mocht." En toen Cresus dit hoorde, zond hij van zijn Lydiërs naar Delphi met den opdracht de boeien bij den ingang van den tempel neder te leggen en den god te vragen, of hij zich niet schaamde door zijn orakels Cresus tot den veldtocht tegen de Perzen aangedreven te hebben, als zou hij de macht van Cyrus omver werpen, van welken veldtocht toch deze dingen de eerste vruchten waren en dan de boeien te toonen; dat zouden zij vragen, en of het bij de helleensche goden gebruik was ondankbaar te zijn.
91. Toen de Lydiërs waren aangekomen en het opgedragene gezegd hadden, antwoordde de Pythia, naar men zegt, het volgende: „het voorbeschikte lot kan ook de god niet ontvluchten. Cresus heeft de zonde van zijn vijfden voorvader geboet, die, speerdrager van de Heracliden, de list eener vrouw volgend, zijn meester doodde en diens waardigheid roofde, die hem geenszins toekwam. Alhoewel Loxias[1] beproefde, dat tijdens de zonen van Cresus de ramp van Sardes zou geschieden en niet tijdens Cresus zelven, was hij niet bij machte het noodlot af te wenden. Zooveel dit hem toeliet, volbracht hij en ten gevalle van Cresus, want drie jaren verschoof hij de
- ↑ d. i. Apollon.