inneming van Sardes, en moge Cresus dit weten, dat hij drie jaren later gevangen werd, dan het noodlot beschoren had. Buiten deze dingen heeft de god hem nog geholpen, toen hij verbrand werd. Over de hem gewordene orakelspreuk berispt Cresus ten onrechte; want Loxias voorspelde hem: indien hij tegen de Perzen optrok, zou hij een groot rijk doen vallen. Daarop had hij, als hij goed wilde overleggen, moeten laten vragen of de god zijn rijk of dat van Cyrus bedoelde. Daar hij nu de spreuk niet verstaan heeft noch verder heeft gevraagd, moge hij zich zelven schuldig noemen. Ook wat hem op zijn laatste vraag geantwoord werd over het muildier, ook dat heeft hij niet verstaan. Want Cyrus zelf toch was het muildier, want uit twee menschen van verschillende volkeren was hij geboren, uit een voornamere moeder, en een geringeren vader; want zij was uit Medië en de dochter van Astyages, den koning der Meden, hij daarentegen was een Pers en ondergeschikt aan genen, en in alles beneden haar stand was hij gehuwd met zijn eigen meesteres. "Dit nu antwoordde de Pythia aan de Lydiërs, en zij brachten haar woorden naar Sardes en meldden ze Cresus. Hij hoorde ze en zag, dat de dwaling van hem zelven was en niet van den god.
92. Met het rijk van Cresus nu en de eerste onderwerping van Ionië was het zoo gesteld. Er zijn in Hellas nog veel andere wijgeschenken van Cresus en niet alleen de genoemden. Want in het boeotische Thebae is de gouden drievoet, dien hij aan Apollon den Ismeniër wijdde, en in Ephesus de gouden koeien en de meeste zuilen, en in het heiligdom van Pronaea[1] te Delphi een groot gouden schild. Deze wijgeschenken beston-
- ↑ Bijnaam van Athena.