den nog tot in mijn tijd, andere echter waren verloren gegaan. Cresus' wijgeschenken in het milesische Branchidae waren, naar ik vernomen heb, gelijk in gewicht en van vorm aan die in Delphi. De dingen in Delphi en in den tempel van Ampharaüs wijdde hij als zijn eigendom en de eerste gaven van zijn vaderlijke schatten, doch de andere geschenken kwamen uit het vermogen van een vijand, die voordat hij koning was, tegen hem opstond en zich beijverde dat aan Pantaleon het lydische rijk zou komen. Deze Pantaleon was een zoon van Alyattes en een broeder van Cresus, doch uit een andere moeder. Want Cresus was uit een carische vrouw aan Alyattes geboren. Pantaleon uit een ionische. Toen nu Cresus door de beschikking van zijn vader het rijk verkreeg, liet hij den mensch, die zijn tegenstander was geweest, op den pijnbank verscheuren en dooden, en zijn vermogen, dat hij reeds vroeger als offer toegezegd had, wijdde hij toen op de gezegde wijze in de plaatsen, die genoemd zijn. En over de wijgeschenken zij nu zooveel gezegd.
93. Wonderen om te beschrijven heeft het lydische land niet veel, zooals andere landen, behalve het goudzand, dat van den berg Tmolus wordt afgevoerd[1]. Doch het vertoont één werk, dat verreweg het grootste is, uitgezonderd de werken van de Aegyptenaren en de Babyloniërs; dáár is het grafteeken van Alyattes, den vader van Cresus, waarvan de grond uit groote steenen bestaat, doch het overige is een heuvel van aarde. Dit grafteeken is opgericht door de kooplieden en de handwerklieden en de hoeren. En zuilen, vijf in getal, stonden nog in mijn tijd boven op het graf, en woorden waren er in gegrift, wat ieder gedaan had aan de oprichting. En bij
- ↑ Nl. door de rivier de Pactolus.