moordenaar wezen, en niet een der mijnen."
110. Zoo sprak hij, en terstond zond hij een bode naar dien van Astyages' herders, die, naar hij wist, zijn kudden liet weiden op de meest geschikte weiden en bergen vol wilde dieren, wiens naam Mitradates was. Deze was gehuwd met zijn medeslavin, en de vrouw, met welke hij gehuwd was, heette volgens de Helleensche taal Kyno, volgens de medische Spako, want een teef noemen de Meden spako. De voet van het gebergte, waar deze herder de weiden voor zijn runderen had, is ten noorden van Agbatana gelegen en naar den Pontus Euxinus heen. Want daar is het land der Meden naar het land der Saspiren heen zeer bergachtig en hooggelegen en met bosschen bedekt, het overige Medië is daarentegen geheel vlak. Toen nu de herder met veel spoed geroepen was en kwam, zeide Harpagus dit: „Astyages beveelt u dit knaapje te nemen en neer te leggen op de meest verlaten plek van het gebergte, opdat het zoo spoedig mogelijk sterve. En hij heeft mij bevolen ook dit te zeggen: indien ge het niet doodt, doch op eenige wijze in het leven laat, dan zal hij u met den zwaarsten dood ombrengen en mij is opgedragen toe te zien, dat het kind neergelegd is."
111. De herder hoorde deze woorden, nam het kind aan, en ging denzelfden weg terug en kwam in zijn hut. En zijn eigen vrouw, die iederen dag op ' t bevallen was, baarde door goddelijke beschikking toenjuist, toen de herder naar de stad was gegaan. En beiden waren in zorg over elkander: hij uit vrees over de bevalling van zijn vrouw, de vrouw echter, daar tegen zijn gewoonte Harpagus hem ontboden had. Toen hij, teruggekeerd, tot haar trad, en zij hem onverhoopt zag, vroeg de vrouw het eerst, waarom Harpagus hem zoo haastig had laten