Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/79

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

halen. En hij zeide : „ in de stad gekomen zag en hoorde ik, wat ik nooit had wenschen te zien, en wat nooit onze meesters mocht overkomen zijn. Gansch het huis van Harpagus was in gejammer, en ik ging verschrikt naar binnen. Zoodra ik binnen gekomen was, zie ik eenknaapje liggen, hijgend en schreeuwend, en versierd met goud en een bont kleed. En Harpagus, toen hij mij zag, beval mij ten spoedigste het knaapje op te nemen en ermede weg te gaan enhet neer te leggen, in het gebergte waar de meeste wilde dieren zijn ; Astyages, zei hij, was het, die mij dit beval, en hij dreigde veel, indien ik het niet doen zou. Enik nam het mede, meenende dat het van een der dienaren was; want ik had geen vermoeden, van waar het kwam. Wel verbaasde ik mij, ziende hoe het met goud en ge- waad getooid was, bovendien ook over de droefheid, die klaarblijkelijk in Harpagus' huis heerschte. En spoedig daarna op den weg verneem ik de gansche zaak van den dienaar, die mij uit de stad geleidde en mij het kind in handen gaf, dat het de zoon was van Mandane, As- tyages' dochter, en van Cambyses, zoon van Cyrus, en dat Astyages beveelt het te dooden: en nu dan, hier is het."

112. En met dat hij dit zeide, nam de herder het kleed weg en toonde het kind. En zij, toen zij het kind zoo groot en schoon zag, weende, en omvatte de knieën van haar man, smeekend, dat hij het op geen enkele wijze daar neer zou leggen. Doch hij zeide niet in staat te zijn anders te doen, want er zouden lieden komen van Harpagus om toe te zien, en hij zou op het ergst omkomen, indien hij het niet deed. Toen zij haar man dan niet kon overreden, sprak zij vervolgens dit : „daar ik u dus niet kan overreden het kind niet neer te leggen, doe gij dan zóó, indien er alle noodzaak is, dat