Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/80

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

het daar neergelegd en gezien wordt; want ook ik heb gebaard, doch een dood kind baarde ik: neem dat en leg het neer, doch den zoon van Astyages' dochter, laat ons dien opvoeden als onzen eigenen; en zoo zult gij niet betrapt worden op misdrijf tegen uw meesters, nog zal dat slecht voor ons zelf overlegd zijn. Want het gestorven kind zal een koninklijke begrafenis krijgen, en het levende zijn leven niet verliezen."

113. En den herder scheen zijn vrouw zeer goed naar het geval te spreken en terstond deed hij zoo. Den knaap, dien hij medegebracht had om te dooden, dien gaf hij over aan zijn vrouw, en zijn eigen dood kind nam hij en legde het in den mand, waarin hij het andere gedragen had; en hij tooide het met al den tooi van den anderen knaap, bracht het naar de meest verlaten plek van het gebergte en legde het neer. Toen de derde dag gekomen was na het neerleggen van den knaap, ging de herder naar de stad, een van zijn knechten als wachter daar achterlatend, en naar Harpagus' woning gegaan, zeide hij bereid te zijn het lijk van het knaapje te toonen. Toen zond Harpagus de trouwsten van zijn speerdragers, en door middel van hen zag hij en begroef hij het kind van den herder. En dit kind nu was begraven, doch dat later Cyrus genoemd werd, dat nam de vrouw van den herder tot zich en zij voedde het op, en gaf het een anderen naam en niet dien van Cyrus.

114. En toen de knaap tien jaren oud was, gebeurde de volgende zaak met hem, die hem bekend maakte. Hij speelde in dat dorp, waarin ook de runderstallen waren, en speelde met andere genooten op den weg. En in hun spel kozen de knapen dien zoogenaamden zoon van den herder tot hun koning. Hij nu beval som-