Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/83

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gegeven heb?" En Harpagus, toen hij den herder in het vertrek zag, begaf zich niet op den weg des bedrogs, dat hij niet bij onderzoek op onwaarheid betrapt zou worden, maar zeide het volgende: O koning, toen ik het knaapje ontvangen had, overwoog ik, hoe ik het u naar den zin zou maken, en, zonder tegen u te misdrijven, noch in de oogen van uw dochter noch ook van u zelf een moordenaar zou zijn. Ik deed daarom aldus: ik roep dien herder en geef hem het knaapje, zeggende dat gij het waart, die bevaalt het te dooden. En zoo sprekend loog ik niet: want gij zelf hadt aldus bevolen. Ik gaf hem dus het kind over, met bevel het op een verlaten berg neer te leggen en het te blijven bewaken, tot het gestorven zou zijn, vele dingen dreigend, als hij dit bevel niet volbrengen zou. Toen hij nu het bevolene verricht had en het knaapje gestorven was, zond ik de trouwsten van mijn gesnedenen en zag het na door middel van hen en begroef het kind. Zoo, o koning, ging het met die zaak, en op zulk een wijze kwam het kind om."

118. Harpagus dan verhaalde de waarheid, en Astyages den toorn verbergend, dien hij om het gebeurde in zich had, verhaalde eerst aan Harpagus, zooals hij de zaak van den herder gehoord had, en daarna, toen hij het dan oververteld had, eindigde hij te zeggen, dat de knaap nog leefde en dat het zoo zeer goed was. „Want ik had veel verdriet over wat dien knaap was aangedaan," zeide hij, „ en ik telde het niet gering, twist met mijn dochter te hebben. Daar nu de zaak zich ten goede heeft gekeerd, stuur dan uw eigen zoon naar den terug gevondene en bovendien, — want ik wil een dankoffer voor de redding van den knaap aan de goden brengen, wien die eer toekomt —, kom zelf bij mij aan het maal."