119. Harpagus toen hij dit hoorde, knielde neder en achtte zich gelukkig, dat zijn misdrijf zoo goed een afloop genomen had en dat hij onder zulke gunstige omstandigheden op het feest genoodigd werd, en ging naar huis. En zoodra hij daar gekomen was, want hij had een eenigen zoon, ongeveer dertien jaar oud —, zond hij dezen weg en beval hem naar Astyages te gaan, en te doen, wat deze mocht bevelen. En zelf zeer verheugd verhaalde hij aan zijn vrouw, wat geschied was. Maar Astyages liet, toen Harpagus' zoon bij hem gekomen was, hem slachten en in stukken snijden, en dan het vleesch voor een deel braden, voor een ander deel koken, en goed toebereid hield hij de stukken gereed. Toen het uur van den maaltijd gekomen was, kwamen de andere gasten en ook Harpagus, en voor de anderen en ook voor Astyages werden tafels voorgezet vol van schapenvleesch, doch voor Harpagus, behalve het hoofd en de handen en de voeten, al het andere van zijn eigen zoon; doch die lagen afzonderlijk bedekt in een korf. Toen Harpagus oordeelde genoeg gegeten te hebben, vroeg Astyages hem, of hij genoegen had in het maal. En toen Harpagus zeide zich zeer te verheugen, brachten zij, wien het bevolen was, het hoofd van zijn zoon, toegedekt, en de handen en de voeten, en bij Harpagus staande bevalen zij hem de korf te ontblooten, en er uit te nemen, wat hij wilde. En Harpagus gehoorzaamt en neemt de bedekking weg en ziet de overblijfselen van zijn zoon; doch ze ziende raakte hij niet ontsteld, en bleef zich zelven meester. Doch Astyages vroeg hem, of hij wist, van welk dier hij vleesch had gegeten. En hij zeide het te weten, en dat alles hem aangenaam was, wat de koning deed. Dit geantwoord hebbend, nam hij de overblijfselen van het vleesch op en ging naar huis. En daar wilde