heerschen wij naar ons deel en hebben groot aanzien bij u. Zoo dan moeten wij op alle wijzen zorgen voor u en voor uw heerschappij. En nu, indien wij iets angstigs zagen, zouden wij het u vooruit zeggen. Nu de droom thans echter op iets nietigs is uitgeloopen, zijn wij goedsmoeds en raden u het zelfde; zend dien knaap uit uw oogen naar de Perzen en zijn ouders."
121. Astyages verheugde zich dit hoorende, en liet Cyrus roepen en zeide tot hem dit: „O knaap, om een ijdel droomgezicht toch wilde ik u onrecht doen, doch door uw lot leeft gij; ga dan nu ongedeerd naar de Perzen, en geleiders zal ik met u zenden. En daar gekomen zult ge een vader en een moeder vinden gansch anders dan Mitradates en zijn vrouw."
122. Zoo gesproken hebbend zond Astyages Cyrus weg, en bij zijn aankomst in Cambyses' huis ontvingen zijn ouders hem, en toen zij dan vernamen, wie hij was en van waar, begroetten zij hem vreugdevol, daar zij toch meenden, dat hij toen terstond was omgekomen, en zij vroegen, op welke wijze hij gered was. En hij verhaalde hun, zeggende vroeger het niet geweten, doch gansch gedwaald te hebben, doch onderweg had hij geheel zijn ongeval vernomen. Want hij meende, dat hij van Astyages' herder de zoon was, doch op den weg van daar had hij de gansche zaak van zijn geleiders vernomen. En hij was opgevoed, zeide hij, door de vrouw van den herder, en hij prees deze zeer veel, en in zijn verhaal was Kyno alles. Zijn ouders namen dien naam op, en, opdat de redding van hun zoon den Perzen meer wonderbaarlijk zou schijnen, verbreidden zij het gerucht, dat een hond[1] Cyrus, die daar verlaten lag, had opgevoed. En vandaar is dat verhaal gekomen.
- ↑ Vergelijk boven hoofdstuk 110.