Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/87

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

123. Toen Cyrus man was geworden en de dapperste en meest beminde van zijn tijdgenooten, zocht Harpagus hem, en zond geschenken, begeerig zich op Astyages te wreken. Want hij zag geen kans dat van hem zelf, een burger, wraak over Astyages zou komen, doch Cyrus ziende opgroeien, maakte hij hem tot bondgenoot, daar hij Cyrus' behandeling met de zijne gelijk stelde. Vóór dien tijd had hij ook reeds dit verricht: daar Astyages streng was tegen de Meden, sprak Harpagus met ieder afzonderlijk van de voornaamste Meden, en overreedde hen, dat zij Cyrus aan het hoofd moesten plaatsen en Astyages uit de regeering stooten. Toen dit hem gelukt was en in gereedheid gebracht en hij aan Cyrus dan zoo, die onder de Perzen leefde, zijn plan wilde mededeelen, wist hij niets anders, daar de wegen bewaakt werden, doch verzon het volgende: hij bereidde een haas toe, en sneed haar buik open en trok gansch geen haar uit, doch liet haar zoo, en zoo stak hij er een brief in, waarin hij had geschreven wat hij besloten had; dan naaide hij den buik van de haas weder dicht, en gaf ze in een net aan den trouwsten van zijn dienaars, als jager uitgerust, en zond hem naar de Perzen, hem opdragend, als hij de haas aan Cyrus gaf, met eigen mond te zeggen, dat hij met eigen hand de haas zou open snijden en niemand mocht er bij zijn, als hij dat deed.

124. Dit nu werd zoo volbracht, en Cyrus nam de haas aan en sneed ze open. En hij vond den brief, die er in was, en nam hem en las. Het geschrift zeide het volgende: „O zoon van Cambyses, daar toch de goden over u waken, — want niet zoudt ge anders tot zulk geluk gekomen zijn, — wreek u dan op Astyages uw moordenaar. Want naar zijn wensch zijt ge reeds dood, door de goden en door mij echter leeft ge. Reeds lang