streek in Perzië, ongeveer achttien of twintig stadiën naar iederen kant — dezen streek in één dag effen te maken. En toen de Perzen den opgelegden taak volbracht hadden, beval hij hen wederom den volgenden dag op te komen, nadat zij zich eerst gewasschen hadden. Intusschentijd bracht Cyrus alle kudden van geiten, schapen en runderen van zijn vader bijeen, slachtte ze en bereidde ze toe, om het Perzische leger te onthalen; bovendien wijn en brood in overvloed. Toen de Perzen den volgenden dag gekomen waren, liet hij hen op het gras nederliggen en feest vieren. Nadat zij gegeten hadden, vroeg Cyrus hen, of wat zij den vorigen dag gehad hadden of wat heden hun het aangenaamste was. Zij zeiden, dat het verschil groot was; want den vorigen dag was alles slecht geweest, op dezen dag echter alles goed. Dit woord nam Cyrus op en ontblootte de gansche zaak, zeggende: „ Mannen Perzen, zóó staat het met u; wilt ge mij gehoorzamen, dan hebt ge deze en nog tallooze andere goede dingen, en geen enkel slaafsch werk; wilt ge mij niet volgen, dan zult ge ontelbare lasten hebben, zooals die van gisteren. Doch volgt mij, en weest vrij. Want ik zelf meen door goddelijke beschikking geboren te zijn om dit werk te ondernemen, en ik meen dat gij geen mindere mannen zijt dan de Meden, noch in andere dingen, noch in den oorlog. Daar nu zoo het geval is, staat zoo spoedig mogelijk tegen Astyages op."
127. De Perzen nu hadden een aanvoerder en wilden zich gaarne bevrijden, want reeds lang verfoeiden zij het door de Meden beheerscht te worden. Toen Astyages vernam, dat Cyrus zoo deed, zond hij een bode om hem te ontbieden. Cyrus beval den bode terug te melden, dat hij eerder bij Astyages zou komen, dan deze zelf wenschte. Op die woorden wapende Astyages al de Meden en, door