Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/90

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de goden geslagen, stelde hij Harpagus als veldheer aan, geheel vergetend, wat hij hem had aangedaan. Toen nu de Meden waren opgetrokken en met de Perzen samentroffen, streden sommigen van hen, die geen deelgenoot waren van de samenzwering, anderen liepen naar de Perzen over; de meesten echter gedroegen zich als lafaards en gingen op de vlucht.

128. Toen het leger der Meden schandelijk verspreid was geworden, zeide Astyages, zoodra hij dat vernomen had, met bedreiging tegen Cyrus: „maar ook zóó zal Cyrus niet zonder straf blijven! " Zoo sprak hij en hij liet eerst de droomuitleggers onder de Magiërs, die hem geraden hadden Cyrus te laten gaan, spietsen, daarna wapende hij de Meden, die in de stad waren overgebleven, de jonge en de oude mannen. Hij voerde hen naar buiten en trof samen met de Perzen, doch werd overwonnen, en Astyages zelf werd levend gevangen genomen, en hij verloor de Meden, die hij naar buiten had gevoerd.

129. En Harpagus ging voor den gevangenen Astyages staan en lachte om zijn leed en beschimpte hem, en zeide andere hartbijtende woorden tot hem, en vroeg hem ook hoe het loon voor zijn eigen maal, waarop gene hem met het vleesch van zijn zoon onthaald had, hoe hem dan nu de slavernij was in plaats van zijn koningschap. Gene zag hem aan en vroeg, of hij Cyrus' werk het zijne noemde. En Harpagus stemde toe, want hij zelf had geschreven, en met recht was dus de daad van hem. Doch Astyages bewees hem met redenen, dat hij de onnoozelste en de onrechtvaardigste van alle menschen was; de onnoozelste, indien hij zelf koning had kunnen worden, zoo althans werkelijk door hem het gebeurde geschied was, en hij aan een ander de macht had geschonken; de onrechtvaardigste,